Home


APENROTS

Stationsplein. De bus zit bijna vol. Links naast mij zitten drie brugklassertjes - twee jongens en één meisje - in een compartiment van vier. De stoel naast het meisje staat vol met haar te grote schooltas. Voor hen, achter de chauffeur zit een jongen - dikke brilleglazen en duidelijk gekleed door zijn moeder. Hij praat levendig mee tussen de ruggensteunen door en houdt twee plaatsen bezet. De drie gedogen hem, maar reageren niet echt. Bij het groepje staat nog een jongen, in het middenpad - groot, onhandig met luide stem en hondenogen, ook gekleed door zijn moeder. Hij wil ook zitten en doet daar verschillende pogingen toe. Hij krijgt de rugzak niet van zijn plaats; vragen helpt ook niet. Keer op keer wordt hij weggestuurd waarbij aanduidingen voor enge ziektes en gelijkgeslachtelijke liefde vallen. Dat hij inbrengt dat er verder geen plaats is, helpt niet. Dan maar proberen bij de jongen voorin, wat leidt tot duwen, trekken en steunen maar niet tot een zitplaats.

Willemsplein. De bus stroomt nu vol met een stroom grotendeels ouderen. Een zeer oud echtpaar zoekt een zitplaats. De oude man vraagt de jongen voorin op te schuiven. Deze maakt na twee keer aandringen luid steunend plaats. Ik sta op voor zijn vrouw. Verschillende oude mensen moeten staan. De rugzak blijft op z'n plaats. De passagiers in dit gedeelte van de bus kijken elkaar aan, maar niemand vraagt de jongelui op te staan. Ook ik niet; ik ben veel te benieuwd naar hoe het verdergaat. De grote jongen doet nog een poging: hij begint een praatje en vraagt of de rugzak op de grond mag zodat hij kan zitten. Het praatje loopt dood op koude wedervragen en de rugzak blijft waar die is. De jongen bonst bij het duwen en trekken aan de rugzak tegen enkele passagiers op. Zelfs nu komen de ouderen niet op voor hun zaak. (Ik moet denken aan die keer dat in een even volle bus een oudere man vroeg of hij op de plaats van een kind mocht zitten – 'Jij hebt nog jonge benen' – en het antwoord van haar moeder kreeg dat ook zij voor een plaats betaald had.)

Fascinerend om te zien dat kinderen van deze leeftijd het zo belangrijk vinden wat anderen van hen denken – 'Ik laat zo'n rare jongen niet naast me zitten, straks denkt iedereen dat ie bij ons hoort en dat wij ook zo zijn' – en dat ze zichzelf daardoor volledig blootgeven aan nog veel genadelozer maar stille kritiek van de omstanders. Daarvoor hoef je niet alleen in een overvolle bus te kijken. Waar is de tijd van de spreekwoordelijke oorvijg, uitgedeeld door een norse oudere, om zulke apen wakker te schudden? Wij kijken 'beschaafd' toe en laten deze minipikorde voor wat zij is, stappen uit en wandelen verder. Ik krijg angst om het hart als ik denk aan wat ons aller kinderen nog te wachten staat in de grote wereld vol onopgevoede jonge bavianen. Moeten we ze leren dat het zo niet kan, of gemene trucjes aandragen zodat ze zich (weer) een veilige plek kunnen verwerven tussen al die mensen waarvoor ze niet gekozen hebben?

25 april 2002


TERUG