Home


DEUR

U kent ze vast wel, van die beleefdheden die helemaal verkeerd vallen. Terwijl je naar binnen stapt, houd je de deur open voor degene die achter je komt. Stapt deze persoon langs je heen, met achter zich aan een hele stroom mensen waarvan sommigen jou – portier tegen wil en dank – minzaam toeknikken. Nu verkeert jouw beleefdheid in het tegendeel, want je moet de deur loslaten op weg naar binnen. Je kiest een goed moment, maar dat valt altijd verkeerd. De deur bonst tegen een binnenkomer die je een boze blik toewerpt.

Of die keer dat je met de deurknop in de hand wacht op die twee mensen die in de deuropening iets belangrijks afhandelen. Jij moet naar binnen en daarvoor zie je niet genoeg ruimte – als je tenminste beleefd wilt blijven. Je wacht nog even tot die twee in de deuropening uitgekletst zijn en je kucht nog een keer. Degene die achter je staat, vooraan een rij die ook jouw kant opmoet, ziet wel ruimte en neemt zijn kans waar. Hij loopt langs je heen, duwt de sprekers opzij en gaat naar binnen, met achter zich die bekende stroom mensen… Weer verkeert jouw beleefdheid in het tegendeel, want je moet die deur een keer loslaten en je in de stroom wurmen op weg naar binnen.

Lastig hoor, die omgangsvormen voor nauwe ruimten, maar ook van betekenis voor andere, minder onschuldige situaties. Je zou er bijvoorbeeld uit kunnen leren dat je voor een achteropkomende ziekenwagen met sirene eigenlijk niet moet uitwijken naar de kant van de weg. De stroom auto's die achter het snelle voertuig aanrijdt, laat jou – stumper – er in de meeste gevallen niet meer tussen. Of je zou eruit kunnen leren dat je de grenzen van jouw beleefdheid bij moet stellen.

Maar wat moeten onze kinderen nu denken als het gaat om de afweging van beleefdheid en opkomen voor jezelf? Hun wereld begint klein. Ze hebben een voornemen en voeren dat uit, zonder al te veel rekening te houden met anderen. Ook in nauwe ruimten zie je dat ze heel goed voor zichzelf kunnen opkomen. Wij volwassenen nemen hun voorkruipen minzaam waar. Als ze groter worden, moeten ze manieren kennen: anderen voor laten gaan, bijvoorbeeld. Tegelijkertijd zeggen we: 'kom op voor jezelf, neem je plaats en laat zien dat je er bent'.

Ik zie hun wenkbrauwtjes al omhooggaan: 'wanneer moeten we nu beleefd zijn en wanneer opkomen voor onszelf?' Dat de volwassenen er zelf niet echt uitkomen – bij nauwe passages zoals een deur – laat de grens van de opvoedkundige invloed zien. Aan ons voorbeeldgedrag hebben de kinderen bij dit dilemma niet al te veel. Een instructie voor hun handelwijze – waarmee wij aangeven hoe het beleefdst, het handigst te handelen – heeft al helemaal geen zin en kan alleen maar verwarrend werken omdat wij het toch niet goed voordoen. We mogen blij zijn als we de voorwaarden kunnen scheppen waaronder ze zelf die ingewikkelde code ontcijferen en bedenken wat het beste is voor hen, en voor anderen.

6 maart 2002


TERUG